Rondleiding kerk

1) De preekstoel, Leuningen van de preekstoel

De preekstoel is het centrum van de kerk. Er bestaat geen voorschrift waar de preekstoel in een protestantse kerk behoort te staan. De plaats wordt meestal uit praktisch oogpunt gekozen. De preek, het belangrijkste onderdeel van de eredienst, moet immers voor alle kerkgangers verstaanbaar zijn. Tot 1734 stond de preekstoel dwars in de kerk, bevestigd aan de voorste kolom aan de zuidkant. De predikant was hiervandaan echter moeilijk verstaanbaar, vandaar dat de preekstoel werd verplaatst naar het koor van de kerk, dus naar de plaats waar vroeger de mis werd opgedragen. Er is toen een nieuwe preekstoel gemaakt, die evenals de voorgevel gebouwd is in de Régencestijl. Boven de preekstoel werd een klankbord aangebracht, bedoeld om de verstaanbaarheid van de predikant te vergroten. Aan de preekstoel is een psalmbord bevestigd. Ook elders in de kerk hangen deze borden, waarop in gotische letters niet alleen 'psalm' staat aangeven, maar ook 'gezang' en 'vers'. Op de koperen lezenaar van de preekstoel ligt een Statenbijbel opengeslagen. De Statenbijbel is de eerste officiële Nederlandse vertaling van de Bijbel en werd voor het eerst gedrukt in 1637.

2) De lezenaar

Voor de preekstoel staat de lezenaar, die aangebracht is op het doophek. Ook op de lezenaar ligt een Statenbijbel opengeslagen. De lezenaar deed vroeger dienst bij het voorlezen of het voorzingen. Tegenwoordig wordt de lezenaar gebruikt voor mededelingen, voorafgaande aan de eredienst.

3) De dooptuin

De preekstoel en lezenaar staan beide in de dooptuin, het liturgisch centrum van de kerk. Met tuin werd vroeger een omheining bedoeld. Zoals de naam aangeeft, wordt hier de doop bediend. Op het doophek, dat de dooptuin afsluit, is het voetstuk van het doopbekken bevestigd. Het doopbekken is van zilver en werd in 1839 door het echtpaar Audié aan de kerk geschonken, nadat de doop aan mevrouw Audié was toegediend. Bij doopdiensten wordt het doopbekken in het voetstuk geschroefd. Doop en avondmaal zijn de enige sacramenten van de protestantse kerk. Om praktische redenen wordt de avondmaalstafel bij avondmaalsvieringen echter voor het doophek opgesteld. In de dooptuin spelen zich ook andere plechtigheden af zoals de bevestiging van predikanten, ouderlingen en diakenen. Tevens geeft hier de ouderling de voorganger aan het begin en aan het einde van de dienst een hand, ten teken dat de kerkenraad de verantwoording voor de eredienst overdraagt, c.q. weer terugneemt. Twee koperen bogen sieren beide ingangen van het doophek.

4) De kerkenraadsbanken

Aan weerszijden van de preekstoel bevinden zich de kerkenraadsbanken. De kerkenraad is verantwoordelijk voor de inhoud en het verloop van de eredienst, dus dienen de kerkenraadsleden, als 'opzichters der gemeente', op plaatsen te zitten waarvandaan de dienst goed te volgen is.

5) Naamborden van predikanten

In de consistorie, aan de zuidzijde van het koor, hangen de portretten van de predikanten die in Delfshaven hebben gestaan. In de kerk zelf worden de voorgangers in ere gehouden door naamborden, waarop in chronologische volgorde alle voorgangers staan vermeld die sinds 1574 in Delfshaven hebben gediend. De consistorie is een besloten ruimte, de kerk een openbare, en volgens de protestantse traditie is het niet gepast om portretten van voorgangers in de kerk op te hangen. Door een naamlijst van predikanten in de kerk op te hangen geeft men gehoor aan de aansporing uit Hebreeën 13,7: 'Gedenkt uwer voorgangeren die u het Woord Gods gesproken hebben.' De naamlijsten kunnen tevens gezien worden als een uiting van dankbaarheid voor de eeuwenlange vrije verkondiging van het Woord.

6) Zitplaatsen van de gemeenteleden

In de rooms-katholieke kerken was het niet gebruikelijk dat de kerkgangers konden zitten. Staan of knielen werd eerbiediger gevonden. Door het accent op de prediking - en die kon behoorlijk lang duren - ontstond de behoefte aan zitplaatsen. In de beginperiode van de Hervorming zaten de meeste gemeenteleden rondom de preekstoel op de grond. Sommige namen hun eigen stoeltjes mee. De kerkenraad zat in banken in de dooptuin, terwijl de wereldlijke machthebbers een vaste plaats hadden in hoge herenbanken, die achter het gewone volk stonden opgesteld. Op een plattegrond van de Oude Kerk uit 1728 is te zien dat deze herenbanken tegen de noordmuur stonden. ln de loop van de tijd werden er in de protestantse kerken steeds meer zitplaatsen aangebracht. In Delfshaven besloot men na de verbouwing van 1761 driehonderd nieuwe stoelen aan te schaffen. Deze stoelen moesten voor nieuwjaarsdag 1763 in de kerk staan. Later werden er nog eens dertig stoelen besteld.
Ook in Delfshaven konden zitplaatsen gehuurd of gepacht worden. Volgens een reglement uit 1925 kregen belijdende leden voorrang bij het huren van een stoel, vervolgens kwamen doopleden en de overige kerkgangers aan de beurt. Aanvragen moesten bij de kerkvoogdij worden ingediend. Bij gelijke inschrijfdata gingen ouderen voor. Iemand die op medische gronden een vaste zitplaats wilde hebben, diende een doktersverklaring te hebben. Het plaatsengeld is in Delfshaven afgeschaft in de jaren veertig. Daarmee kwam een einde aan de gewoonte dat nieuwkomers en gasten pas mochten gaan zitten als het lampje boven de preekstoel brandde. De kerk telt momenteel ca. 350 zitplaatsen, waarvan 200 in het middenschip en ca. 150 in de zijbeuken. Vroeger zaten de mannen en vrouwen apart. Ook voor de wezen en gemeenteleden die steun ontvingen van de diaconie, waren er aparte banken.
Tijdens de restauratie van 1993 zijn de houten klapstoeltjes in het middenschip vervangen door comfortabele, verplaatsbare stoelen. Ook de tochtwerende hoge banken, achterin de kerk, zijn tijdens de laatste restauratie weggehaald. In 1796 zijn de herenbanken uit de kerk verwijderd. De eerste burgemeester van het zelfstandige Delfshaven, Jan Kruyff, gaf hiertoe opdracht. De 'banken van distinctie' druisten in tegen het gelijkheidsideaal.

7) Collecteren

Het collecteren tijdens de diensten is een taak van diakenen en collectanten. Rechts en links naast de deur achter de preekstoel zijn de 'collectehengels' opgehangen, die gebruikt worden als er weinig mensen in de kerk zitten. Het hengelen vergt een behoorlijke vaardigheid.
Van 1873 tot 1954 werd er tijdens de diensten een speciale derde rondgang gehouden voor het hervormde weeshuis aan de Voorhaven. Het gemeentelid C. L. van der Straal had deze voorwaarde verbonden aan de schenking van een aantal panden. Omdat het weeshuis in de jaren vijftig voor andere doeleinden werd gebruikt, wilde de kerkenraad van het 'derde zakje' af. Het bestuur van het weeshuis was het hiermee niet eens en de onenigheid werd tot in de rechtszaal uitgevochten. De rechter stelde toen de kerkenraad in het gelijk.

8) Herinneringsbord 200 jaar Hervormd Delfshaven

Op 25 september 1774 werd herdacht dat Delfshaven twee eeuwen hervormde leraren had. Het grote zwarte bord boven de deur achter de preekstoel herinnert hieraan. Onder het bord bevindt zich een steen met een zogeheten tijdvers, waarin een jaartal verborgen zit. Sommige hoofdletters, ook al staan ze midden in een woord, stellen Romeinse cijfers voor. Een W moet gezien worden als tweemaal V = 10. Deze Romeinse cijfers moeten bij elkaar opgeteld worden en dan komt men aan 1761, het jaar van de grote verbouwing.

9) Wandborden

Aan beide zijden van het koor hangen twee houten wandborden op ereplaatsen in de kerk. Wandborden met teksten kunnen gezien worden als het protestantse antwoord op rooms-katholieke kruisen en beelden. Links hangt het bord met de Tien Geboden en rechts het bord met De Twaalf Artikelen des Geloofs. Voor de protestanten hebben de Tien Geboden, zoals die aan het volk Israël werden gegeven, speciale betekenis. Door de wet kent een gelovige zijn zonde en beseft hij de noodzaak van de verlossing door Christus. De wet is echter vervuld door het lijden en de opstanding van Christus.

De oorsprong van de Apostolische Geloofsbelijdenis -Twaalf Artikelen des Geloofs - ligt in de tweede eeuw na Christus en kan gezien worden als een samenvatting van de verkondiging van de apostelen. Tijdens diensten wordt deze belijdenis gelezen om de verbondenheid aan te geven die er is tussen christenen 'van alle tijden, van alle geslachten en van alle plaatsen'. Beide borden zijn in 1719 geschilderd door A. van Salm, 'Meester Teykenaar op Delfshaven', die bekend is door zijn vele schilderijen van allerlei schepen. De borden werden in 1828 door Joan Bekink 'Meester Verwer op Delfshaven' gerestaureerd.

10) Glas-in-loodramen

De glas-in-loodramen dateren uit de twintigste eeuw. De ramen in het transept (dwarsschip) en in het koor zijn aangebracht nadat in de nacht van 30 september op 1 oktober 1911 het raam van het noordelijke transept door een storm totaal vernield was. De schade was dermate ernstig dat op 1 oktober geen dienst in de kerk gehouden kon worden. De kerkvoogdij besloot toen het zekere voor het onzekere te nemen en niet alleen het vernielde raam, maar ook de andere ramen in het transept en het koor te vernieuwen. Het was een kostbare aangelegenheid, maar de kerkvoogdij had er veel voor over om het interieur van de kerk met glas-in-loodramen te verrijken.
De ramen in het transept dateren uit 1912. Het jaartal is aangebracht in de rechter benedenhoek. Bovendien is de naam van de glazenier aangegeven: P(aulus) Blom.[1] Het zijn glas-in-loodramen met gebrandschilderde afbeeldingen. In het raam van het noordelijke transept is de 'Speedwell' afgebeeld, het scheepje waarmee de Pelgrimvaders op 33 juli 1620 (1 augustus volgens de Gregoriaanse kalender) aan hun reis begonnen.

In het raam van het zuidelijk transept is het Kerkelijk Zegel afgebeeld. Het omschrift luidt: 'De Haave van Behoudenis alleen bij God in Zion is'. Ook de datum 9 september 1574 staat in het raam aangegeven, de dag waarop drie Delfshavenaren in de vergadering van de classis Schiedam verzoeken om Cornelis Christiaansz tot hun eerste predikant te benoemen.

De gebrandschilderde ramen in het koor beelden de zes scheppingsdagen uit. Ook deze ramen, aangebracht in 1916, zijn van de hand van Paulus Blom. In het linker raam worden de eerste drie scheppingsdagen weergegeven, in het rechter raam de laatste drie. In ieder raam bevinden zich drie medaillons met in ieder medaillon één dag. De bijschriften, die bestaan uit verzen uit het eerste hoofdstuk van Genesis in de Statenvertaling, verklaren de voorstellingen. Hier volgen ze met de erbij behorende tekst:

  • Rond een landschap dat alleen uit rotsen en water bestaat, leest men de tekst: ‘De geest Gods zweefde over de wateren’ (Genesis 1:2).
  • Rond golvend water en wolken is de tekst te lezen: ‘God zeide: daar zij een uitspansel in het midden der wateren’ (vers 6).
  • Aan weerszijden van een waterstroom staan bomen en planten in bloei. De tekst luidt: ‘Dat de wateren van onder den hemel in eene plaatse vergaderd worden’ (vers 9).
  • Rond een medaillon met de zon, de maan, sterren en planeten is te lezen: ‘God zeide: Dat er lichten zijn in het uitspansel des hemels’ (vers 14).
  • Het volgende medaillon toont vissen en vogels. Het omschrift luidt: ‘Een gewemel van levende zielen!’ (vers 20).
  • In het laatste medaillon zijn Adam en Eva weergegeven. De tekst luidt: ‘God schiep den mensch naar zijn beeld’ (vers 27).
  • De ruimte tussen de medaillons is opgevuld met gestileerde knielende en staande gestalten.

De meeste glas-in-loodramen in het middenschip zijn aangebracht in 1937, nadat de houten raamindelingen op voorstel van monumentenzorg vervangen waren door profielstenen. Hier en daar ziet men de letters PB (Paulus Blom).

Aan de noordzijde van het middenschip zijn de volgende voorstellingen te zien, met bijschriften volgens de Statenvertaling (van rechts naar links):

  • Een raam geschonken door het ‘college van collectanten’. Boven in het raam ziet men de leerlingen in een boot in onstuimig water, terwijl Jezus over het meer loopt. Het bijschrift is: ‘Ik ben het – zij niet bevreest,[2] Joh. VI vers XX’. Blijkens de aangegeven jaartallen dateert het raam uit 1937, maar moeten er al eerder ramen hebben gezeten (1897, 1922).
  • Een raam geschonken door het ‘ministerie van predikanten’. Boven ziet men Abraham die zijn zoon Isaak moet offeren. Het bijschrift: ‘Want nu weet ik dat gij God vreezende zijt, Gen. XXII vers XII’.
  • Een raam geschonken door het ‘kerkelijk personeel’. Boven in het raam is de voetwassing weergegeven. Het bijschrift luidt: ‘Verstaat gij wat ik ulieden gedaan heb? Joh. XIII vers XII’.

Rechts ziet men van links naar rechts:

  • Een raam geschonken door ‘mevr. de wed. H.T.’. Boven is weergegeven hoe Jezus de kinderen zegent. Bij deze voorstelling hoort het volgende bijschrift: ‘En verhindert hen niet tot mij te komen, Math. XIX vers XIV’.
  • Alle ramen in het schip hebben alleen maar een voorstelling bovenin. Het nu volgende raam is in zijn geheel figuratief: het driekoningenraam. Dit is vervaardigd door Jan Visser en werd op 21 december 1935 onthuld. Het raam is geschonken door een gemeentelid die onbekend wilde blijven.
  • Het laatste raam is geschonken door de ‘familie de J.v.W.’ We zien Jezus in het huis van Simon de melaatse, met achter hem de vrouw die zojuist mirre over zijn hoofd had gegoten. Het bijschrift luidt: ‘Zij heeft een goed werk aan mij gewrocht, Matheus XXVI vers XI’.[3]

11) Bronzen Plaat 1906

In 1906 kreeg de kerk deze bronzen plaat van de Boston Congregational Club uit dankbaarheid voor de gastvrijheid die de Pelgrimvaders gedurende hun verblijf in Nederland mochten ontvangen.
De schenking van de plaat paste in de herdenking van het feit dat 300 jaar eerder in Scooby, een plaats in het Engelse graafschap Nottinghamshire, door de latere Pelgrimvaders een kerk werd opgericht.
12) Het wapen van Delfshaven
Pas in 1817 kreeg het toen zelfstandige Delfshaven toestemming om een eigen wapen te voeren. De haring en de drie korenaren verwijzen naar de haringvisserij en de korenwijnbranderijen (jeneverstokerijen), eeuwenlang in Delfshaven de belangrijkste bestaansbronnen. De golven in het midden verbeelden de rivier de Nieuwe Maas.

13) Gedenkplaat uit Plymouth

Deze plaat werd op 26 november 1970 onthuld door dr. R.M. Bartlet uit het Amerikaanse Plymouth ter herinnering aan het feit dat de Pelgrimvaders 350 jaar geleden uit Delfshaven vertrokken.

14) Grote klok

Deze grote klok is wellicht het oudste voorwerp van Delfshaven. De klok is gegoten door de gebroeders Johannes en Wilhelmus Hoerken in 1464. Omdat hij was gebarsten werd de klok in september 1989 uit de toren gehaald. Op de klok staat in het Latijn geschreven: 'Ik heet Maria. De gebroeders Johannes en Wilhelmus Hoerken hebben mij gemaakt in het jaar des Heeren 1464.'

15) Kleine klokken

Deze zes klokken zijn in 1660 door Franciscus Hemony in Amsterdam gegoten. De klokken waren oorspronkelijk een onderdeel van het carillon van de Rotterdamse Sint- Laurenstoren. Na de restauratie van dit carillon in 1961 zijn ze naar Delfshaven overgegaan. Met nog negen andere klokken vormden de Hemony-klokken het eerste carillon van Delfshaven (1962). In 1988 werd dit carillon uitgebreid. De zes Hemony-klokken vonden toen een plaats in de kerk.

16) Bord van Schenkers
Op 20 december 1989 is het geheel nieuwe carillon overgedragen. Het bestaat uit 44 klokken. Op het bord staan de namen van de sponsors vermeld.

17) Steen uit Chicago
In 1866 kreeg de kerkvoogdij van Delfshaven een verzoek uit Chicago om een steen uit de kerk op te sturen die in Chicago ingemetseld kon worden in de voorgevel van een nieuwe kerk. De kerkvoogdij stuurde een klein model grafzerk uit 1595, waarop een huismerk (merkteken) was aangebracht. De kerk in Chicago werd op 8 februari 1867 in gebruik genomen. Uit dankbaarheid ontving de kerk in Delfshaven een gedenksteen uit Chicago van de steensoort die daar voor de bouw van de kerk gebruikt was. Op deze steen zijn het jaartal 1595 en een huismerk aangebracht. Hieraan is in het Grieks toegevoegd: EEN HEER.

Begraven in en rondom de kerk

In de middeleeuwen was het de gewoonte dat binnen kerken begraven werd. Een graf in de kerk was een privilege waar de rijken graag voor betaalden. Begraven worden binnen de kerkmuren was een voorrecht, omdat nabestaanden de laatste rustplaats dan makkelijk konden bezoeken om er voor het zielenheil van de overledene te bidden. De Hervorming bracht geen wijziging in het gebruik dat er in de kerken werd begraven. Dit gold echter alleen voor gereformeerde kerken. Deze kerken waren openbaar en genoten de bescherming van de overheid.

Grafzerken

De vloer van de Oude Kerk was vroeger geheel belegd met grafzerken. Op een plattegrond van 10 augustus 1661 zijn 274 zerken ingetekend.
In mei 1917, bij werkzaamheden aan de houten vloer tussen de preekstoel en de vaste banken, en in 1937, bij de grote restauratie, is van de gelegenheid gebruik gemaakt om de opschriften van 63 grafzerken te ontcijferen. Op 16 stenen staan zogeheten huismerken aangeven. Een huismerk is een soort bezitsteken dat erfelijk is. Op diverse stenen staat ook het beroep of de functie van de overledene aangegeven, zoals marktschipper, keurmeester, scheepstimmerman, stadsrentmeester en kerkenraadslid. Naast en achter de kerk was een kerkhof, niet iedereen kon immers in de kerk begraven worden. Dit kerkhof veroorzaakte in 1742 een dermate stankoverlast dat het stadsbestuur verbood om daar voor de duur van 12 jaar te begraven.

Verbod

De Franse overheersing van Nederland (1795-1813) maakte een einde aan de gewoonte om in en rondom de kerk te begraven. Op 8 juni 1795 verscheen een plakkaat waarin afgekondigd werd dat begraven in en rondom de kerk per 1 januari 1796 verboden was. Als reden hiervoor werd aangegeven dat de begraafplaatsen de gezondheid van kerkgangers in gevaar kunnen brengen. Ook het begraven binnen dorpen en steden werd door de Fransen verboden. Oude grafzerken hoefden niet uit kerken verwijderd te worden, echter onder de voorwaarde dat wapens uit de zerken zouden worden weggehakt. Wapens duiden immers op ongelijkheid. Alleen namen en sterfdata mochten leesbaar zijn. In Rotterdam werden honderden grafzerken toegetakeld. De kerk van Delfshaven bleef hiervoor echter gespaard. Aan de westzijde van de Schie (Spangesekade) verwuerf de burgerlijke gemeente Delfshaven een nieuwe begraafplaats. Op 6 mei 1805 werd de begraafplaats door de hervormde gemeente aangekocht. Tot 1 januari 1946 deed deze begraafplaats dienst. Het kerkhof naast en achter de kerk is in 1851 tot 1 meter diep geruimd.

[1] Paulus Blom (Rotterdam 1880-Bakel en Milheze 1962) was werkzaam in het Atelier ’t Prinsenhof te Delft.
[2] In de Statenvertaling staat inderdaad ‘bevreest’ met een t.
[3] Deze tekst is te vinden in Mattheüs 26, vers 10 in plaats van vers 11.